Kamera Kultura - Columns

Column

Eva Meijer - Juni 2015

Een dag
 
 
De ochtend bracht zacht licht, draaide als een wenteltrap omhoog, naar de zon – nu het zomer is, staat de zon hoog – als het middaguur aanbreekt is het een bal, een gele bal – het is nu nog ochtend. De ochtend is lichtgroen, ruikt lichtgroen, komt voort uit roze en zal daar weer in terugkeren, later, veel later.
 
Het eerste licht dat uit het donker tevoorschijn kwam, was blauw. Uit het blauw kwamen strepen – lichtroze, harder roze, lila, turquoise, geel, rood – en weer terug naar blauw, lichtblauw, steeds donkerder, harder. De lucht is een wonder, in de lucht vliegen dieren. De dag richt zich op, rekt zich uit, gaat er goed voor zitten.
 
De vroege ochtend is voorzichtig. Het licht wekt de koeien, de paarden, de schapen. Eenden liggen op de kant, aan de rand van het water, halen hun snavels tussen hun veren vandaan.
 
Het licht wordt niet aangedaan, het is geen winter. Iemand rekt zich uit, zet koffie, eet brood, poetst tanden, een auto start, een luik wordt omhoog gehaald, een vlag uitgestoken, zij trekt haar schoenen aan, hij denkt aan morgen, de hond gaat na de wandeling en het ontbijt terug naar bed.
 
Bloemen vouwen open (je kunt het bijna zien gebeuren).
 
Het mist nog, iemand zoekt haar sleutels, op de fiets ligt dauw, op het fietspad ook, de muizen trekken zich terug. De man in het ziekenhuis vraagt om een extra pijnstiller – nu, het gaat hem om nu. De dag ontfermt zich niet, draait verder.
 
Halverwege de ochtend verschijnen de wolken, mensen kijken omhoog, denken aan een jas, een paraplu, de wolken trekken weg, als kuddedieren, als langzame dieren. Nu komt de zon. In het bos vallen strepen licht naar beneden alsof ze vast zijn. Hier komen geen mensen, het is te dicht, alleen kleine dieren bewegen makkelijk door de struiken, tussen de bomen (grotere dieren kiezen een ander pad). Onder de bladeren is het koel, net als in de rivier. Voor de vissen is de lente of herfst beter, in de zomer groeien algen, in de winter vriest het water dicht – maar de zomer is nog vroeg, het water is nog helder, doorzichtig, je kunt de stenen op de bodem zien – groen, grijsgroen, blauwgroen, watergroen.
 
We bewegen verder.
 
Het is twaalf uur.
Schoolbellen rinkelen, stoelen verschuiven, deuren slaan open, voeten rennen (rond de boom) (naar het huis).
Het is een uur.
 
Het licht van de zon beweegt over de boom achter het huis, een lieveheersbeest loopt over een blad. Het blad is groen – later zullen de randen bruin worden, zal het blad rood worden, uitdrogen – nu is het nog groen. Straks is het herfst, straks is het winter, straks zal dit dier sterven. Een man merkt het op, brengt een hand naar zijn voorhoofd, laat hem weer zakken. Het is zomer, denkt hij, ik kan vanmiddag in de zon gaan liggen. Op het balkon aan de achterkant van het huis staat een ligstoel, het rood is in de loop der tijd oranje geworden, het hout donker.
 
In de trein die langsrijdt, schrijft een meisje of een vrouw – je zou haar beiden kunnen noemen – op haar computer een verhaal. Ze draagt een jurk met bloemen, al te warm voor de tijd van het jaar maar ze zweet niet, ze zweet bijna nooit. Ze kijkt niet naar de man die aan de andere kant van het gangpad van haar zit (een vliegtuig landt), hij kijkt naar haar.
 
Buiten wordt geboord.
De trein toetert, hard, mensen schrikken.
De zon staat nu hoog in de lucht, verwarmt de gele en paarse bloemen langs de rails, wilde bloemen, witte bloemen.
 
Een vogel vliegt over het weiland, over de dijk langs het IJsselmeer, draait naar het kiezelstrand, het water, draait terug naar het land. Het wuivende gras, het lange gras, de lichtbruine koeien in het weiland, de lichterbruine kalveren. Een schaap met een zwart hoofd, een groep bruine ganzen met rode snavels. Hier zijn de koeien zwart met wit. Hier is het gras groen en lager. Een veld met koren, een hek, meer ganzen, een kerktoren, ezeltjes. Ezeltjes! Een bocht in de weg en weer water, licht op het water, dansende lichtjes op de golven als levende wezens, het begin van een fabel. De bootjes in de verte hebben zeilen, keren huiswaarts, de wind steekt op, de middag nadert haar einde.
 
De wind steekt op, de middag nadert haar einde. De wind neemt al het geluid op, in een kluwen, in een bal, en dan begint de regen, van fijn naar dik, een opluchting hoewel de spanning niet duidelijk was  (nu pas, nu ze opgelost is). Regen glijdt langs het gezicht van een schaap, valt op gras, op zand, tikt op stenen, mensen haasten zich huizen in, schuilen onder randen, worden nat. Wormen bewegen, meeuwen zien hun kans schoon – het duurt maar even, het is zomer, de bui waait over, mensen slaan hun paraplu uit, lopen verder, de dag hervat haar ritme (had de regen geen ritme? Zeker, maar het regende te kort). Duiven lopen over het gras tussen het fietspad en de trambaan, zoeken eten, grijze, witte en zwarte duiven, hun snavels gericht naar de grond. Op de rotonde rijden auto’s achter elkaar aan als spelende kinderen, de een volgt de ander, de ander een ander – alsof ze het afgesproken hebben.
 
Dan wordt het buiten stiller – dit is een kleine stad, mensen zijn in huizen, in tuinen, eten, praten tegen elkaar, de straten zijn grotendeels leeg. Een fietser pakt de jas die over haar stuur hangt en trekt hem al fietsend aan. Het is nog niet donker, dat wordt het pas laat.
 
Het water beweegt zoals het de hele dag al bewoog, in golven maar langzaam, als een mens in gedachten. Op het strand liggen schelpen, op het strand kun je de klokken van de kerktoren horen – je moet naar huis, het is acht uur.
 
Anderen gaan alweer naar buiten, in de cafés op het plein is het druk, was het al druk, blijft het dat nog uren, mensen gaan staan, kijken over hun schouder naar anderen, zijn luid als de avond valt. Ze praten over de muziek heen. Het standbeeld wacht. Een vogel landt. Een boek wordt neergelegd.
 
De avond valt, bedekt eerst de verte, de randen, trekt kleuren naar elkaar toe, de strepen zijn terug, ze gaan op in effen donkergrijs. Het kind dat wakker lag, is in slaap gevallen, de kat op haar voeteneinde slaapt ook, ze ademen gelijk. De vogels sliepen al, de ratten in de struiken ritselen nog, de slak die ’s nachts door de keuken glijdt, gaat vast naar de rand van het fornuis. Een vrouw poetst haar tanden, een man schrijft een brief aan zijn moeder, een hond droomt van rennen. Het ezeltje sluit haar ogen.
 
Het is nu donker. De achterdeur wordt op slot gedaan. De kraaien verbergen zich. We naderen de stilte.